De meeste mensen bewaren hun foto’s bij Google, hun mail bij Gmail, hun documenten in de cloud die toevallig bij de telefoon zat en hun wachtwoorden in een browser van een advertentiebedrijf. Elke byte staat op een server die niet van hen is, onder voorwaarden die niemand las, in een land dat niemand heeft nagekeken. Niemand kijkt daar nog van op, want het alternatief lijkt op een tweede baan.
Over dat alternatief wil ik het hebben. En over waarom het achter een muur zit waar de meeste mensen nooit overheen komen.
De deal onder de gratis opslag
Gratis is het omdat jou kennen het verdienmodel is. Je mail wordt gescand, je foto’s geanalyseerd, je locatiegeschiedenis is een product met een prijskaartje. Niemand maakt daar nog een geheim van, en de meeste mensen hebben er hun vrede mee. De data staat handig waar die staat, en verhuizen klinkt als meer gedoe dan het waard is. Snap ik. Jeuk krijg ik er wel van.
De technische wereld heeft hier een antwoord op, en een goed antwoord ook. Self-hosting. Draai de diensten op je eigen hardware en het surveillanceprobleem verdampt grotendeels, want aan de andere kant zit niemand meer om te surveilleren.
Ik draai m’n eigen infrastructuur al jaren. Eigen email, eigen cloudopslag, eigen wachtwoordkluis, alles. Ik vind het geweldig en ik heb er op deze blog behoorlijk wat over geschreven. Maar ik ga niet doen alsof m’n ouders hetzelfde zouden kunnen. Self-hosting is vandaag een privilege. Het kost technische kennis en een gestage voorraad avonduren, en de meeste mensen hebben geen van beide over. De drempel is echt, en hij is hoog.
De andere kant van de muur
Stel je die eens voor. Je betaalt een maandbedrag, ergens tussen de €15 en €30. Daarvoor krijg je een eigen privécloud voor foto’s, documenten en notities, een eigen emailserver, een wachtwoordmanager, agenda en contacten. Hetzelfde spul dat mensen nu bij Big Tech huren, met vier verschillen eronder.
Je data blijft van jou, dus geen scanning, geen profilering, geen stille doorverkoop aan een databroker. Het draait op standaard hardware, en die oude PC in de kast doet gewoon mee. Weg kun je wanneer je wilt, data mee en wegwezen, geen lock-in. En het beheer is transparant, open source en controleerbaar, geen black boxes.
Niks hiervan is nieuw. Nextcloud, Mailcow en een lange lijst volwassen open-source projecten dekken de bouwstenen al jaren. Wat altijd ontbrak is de persoon die ze in elkaar zet en daarna draaiende houdt. Het hele idee is dat die persoon niet langer jij bent.
De rekening komt na het weekend
Opzetten is een weekend. Een vastberaden mens met een tutorial komt er wel. De kosten komen daarna, elke week, zolang het ding bestaat. Certificaten verlopen. Een disk loopt vol terwijl je slaapt. Een upstream image levert een breaking change en de contacten-app stopt met synchroniseren op de dag dat je een telefoonnummer nodig hebt. Een self-hosted setup is iets wat je in leven houdt, week na week.
Die onderhoudslast is waarom ik nog nooit een Raspberry Pi aan een niet-technische vriend heb gegeven en het een cadeau heb genoemd. Wat ze krijgen is een pieper.
Dit is dezelfde frictie die de meeste van m’n technische keuzes stuurt. Ik wil systemen die netjes falen en zichzelf herstellen, want anders ben ík het single point of failure voor de mail van iemand anders, en dat houdt niemand vol. Vriendelijk is het ook niet, voor ons allebei.
Self-hosting is goed. De open vraag is wie het operationele gewicht draagt.
Eén service-cluster, veel klantclusters
Ik ben begonnen een antwoord te bouwen. Dit is de vorm.
Een centraal service-cluster beheert een vloot klantclusters. Elk klantcluster draait op hardware die de klant bezit, of dat nu een mini-PC thuis is, een server op kantoor of gehuurde hardware in een datacenter.
Het service-cluster doet de stukken die pijn doen. Deployment, GitOps-gedreven, declaratief en reproduceerbaar. Monitoring, zodat iets wordt opgevangen voordat de klant het merkt. Updates, automatisch, getest en teruggedraaid als ze zich misdragen. Backups, versleuteld, off-site en af en toe echt teruggezet om te bewijzen dat ze nog werken.
Het klantcluster doet twee dingen. Het draait de diensten, en het bewaart de data op hardware die de klant fysiek kan aanraken.
Die scheiding is het hele punt. Het service-cluster ziet nooit klantdata. Het beheert de infrastructuur, en de data blijft aan de kant van de klant. Het oppassen doen m’n tooling en ik, en wie gewoon wilde dat z’n foto’s privé bleven, krijgt precies dat.
Draaien op oude hardware
Eén ding geef ik niet op. Dit draait op hardware die mensen al hebben.
Die oude laptop, die afgedankte kantoor-PC’s, de Raspberry Pi op de plank, het komt allemaal in aanmerking. K3s draait prima op machines die Big Tech jaren geleden al had afgeschreven. Dat houdt bruikbare hardware van de schroothoop en brengt de instapkosten richting nul. En het maakt het eigendom letterlijk. De doos staat in jouw huis, en niemand in een datacenter heeft er een lease op.
Ik heb eerder geschreven over soevereine infrastructuur en waarom fysieke controle het deel is dat telt. Dit is datzelfde idee een stap verder, het homelab uit en in handen van mensen die er nooit een zullen bouwen.
Het deel dat ik nog niet bewezen heb
Nu het stuk dat ik spannend vind, met de kanttekening dat het het minst getest is.
Vandaag ben ik de operator. Ik lees de alerts, ik debug de storingen, ik hak de knopen door. Dat werkt voor vrienden en familie. Voor iedereen werkt het niet, want m’n aandacht is de bottleneck en er is er maar één van mij.
Large language models worden goed in het soort beoordeling dat operationeel werk vraagt. Logs en metrics lezen, een veelvoorkomende storing diagnosticeren, een fix voorstellen, context afwegen. Stel je een systeem voor dat ziet dat de disk van een klant richting vol kruipt, naar het gebruikspatroon kijkt, een opruimactie of een uitbreiding aanbeveelt, de gekozen optie uitvoert en onthoudt hoe het ging voor de volgende keer.
De bouwstenen daarvoor bestaan nu al. De vangrails niet, en daar ben ik voorzichtig mee. Een LLM met schrijftoegang tot iemands mailinfrastructuur is een serieuze zaak, en de balans tussen autonomie en veiligheid verkeerd leggen helpt niemand. Dus dit blijft speculatief tot het een tijd op m’n eigen cluster heeft gedraaid. Ik vraag niemand iets te vertrouwen wat ik niet eerst zelf heb stukgemaakt.
Werkt het, dan schuift m’n rol van operator naar architect. Ik ontwerp de policies, het systeem doet de rest, en een klant erbij betekent niet langer een klant extra piketdienst.
Wat het kost
Een visie die zichzelf niet kan betalen is een hobby met extra stappen, dus hier zijn de cijfers.
Individuen betalen €15-20 per maand voor cloudopslag, een wachtwoordmanager en foto’s. Gezinnen betalen €25-35 per maand voor gedeelde diensten plus eigen accounts. Kleine bedrijven betalen €50-100 per maand voor email, samenwerking en CI/CD op een kwaliteit waar je een bedrijf op draait.
Vergelijk dat met de gangbare prijs. Google Workspace kost €5-18 per gebruiker per maand, deels betaald in je data. Microsoft 365 kost €5-20 per gebruiker per maand, dezelfde regeling. Zelf self-hosten is “gratis” in euro’s en kost honderden uren.
Ik ben liever eerlijk over de afweging dan dat ik eroverheen praat. Op een spreadsheet is dit niet de goedkoopste optie. Het vraagt je te betalen voor iets wat de surveillance-economie weggeeft, en wat je terugkrijgt is soevereiniteit zonder de operationele last. Voor sommige mensen is dat overduidelijk de moeite waard. Voor anderen wordt het dat nooit, en dat is een terechte keuze.
Waar dit staat
Ik bouw dit in fases, met opzet, langzaam genoeg om dingen privé stuk te maken. Nu beheert m’n eigen service-cluster een handvol klantclusters voor vrienden, familie en een paar early adopters. Daarna komt het documenteren van de architectuur en het open-sourcen van de beheertooling. Dan de LLM-integratie, zodra ik die op m’n eigen infrastructuur vertrouw. En uiteindelijk iets waar iedereen zich voor kan aanmelden en écht bezit.
Spreekt dit je aan, of je nu early adopter wilt zijn, wilt meehelpen aan de tooling of het gewoon wilt volgen, dan blijf ik er hier over schrijven, inclusief de delen die misgaan.
Ik zei dat ik m’n ouders nooit een Raspberry Pi zou geven. Een doos die van hen is, data die van hen is, en iemand die er verstand van heeft en de boel draaiende houdt zonder ooit naar binnen te kijken, dát zou ik ze geven. Daar bouw ik aan.
